Logboek


Een logboek is een verslag van je beeldend werkstuk en bestaat uit:

- voorkant
- eerste verslagmodel
- schetsen, experimenten
- verzamelde plaatjes en foto's
- tweede verslagmodel
- foto van je werkstuk

Hieronder vind je de verslagmodellen:

Eerste verslagmodel

Let op:
•  elke les bijhouden
•  vragen per werkstuk beantwoorden
•  niet alleen de antwoorden, maar ook de stappen zelf opschrijven

Stap 1
Beschrijf met eigen woorden wat de opdracht is en welk probleem je moet oplossen.

Stap 2
Verzamel zoveel mogelijk informatie (afbeeldingen, teksten of boeken) over de opdracht.
Kijk ook of er kunstenaars zijn geweest die zich met hetzelfde probleem hebben bezig gehouden. Maak kopieën van hun werk en plak die in je verslag.

Stap 3
Schrijf zoveel mogelijk verschillende ideeën op voor de oplossing van het probleem of de opdracht. Een idee is niet gauw te gek. Hoe meer ideeën hoe beter.

Stap 4
Schrijf op welke eisen door de leraar gesteld worden:
•  wat betreft de voorstelling
•  wat betreft de vormgeving
•  wat betreft het materiaal of de techniek

Stap 5
Maak een aantal schetsen of ruimtelijke vormen waarin je zoveel mogelijk verschillende oplossingen van het probleem laat zien. Plak die in je verslag.

Stap 6
Kies de interessantste schets of vorm uit. Dit is het uitgangspunt voor je uiteindelijke werkstuk. Schrijf op waarom je juist voor deze schets kiest.

Stap 7
Schrijf op:
•  hoe groot het werkstuk wordt
•  welke beeldende aspecten vooral belangrijk zijn (vorm, structuur, kleur, licht, ruimte, compositie)
•  hoe lang je erover mag doen
•  welke eisen jijzelf stelt aan de opdracht

Stap 8
Schrijf vanaf nu elke les op:
•  Hoe je het werkstuk vindt
•  Wat er nog aan moet gebeuren

Stap 9
•  Schrijf op aan welke genoemde eisen (zie stap 4 en 5) je werkstuk voldoet
•  Schrijf ook op of je afgeweken bent van die eisen en waarom
•  Schrijf op of je werkstuk hierdoor beter of slechter geworden is en waarom het beter of slechter geworden is
•  Maak een kopie van je werkstuk en plak die in dit verslag

Beoordelingscriteria:
•  de stappen zelf zijn ook opgeschreven
•  goede en volledige antwoorden
•  tekst, beeld en schetsen zien er netjes uit
•  het verslag is uitvoerig genoeg
•  de omslag ziet er netjes uit

 

Tweede verslagmodel (achteraf beschrijven)

Let op:
•  niet alleen de antwoorden opschrijven. Schrijf ook de vragen op
•  verzamel plaatmateriaal, schetsen, kopieën of teksten die te maken hebben met je werkstuk. Plak die op en voeg die toe aan je verslag

  1. Wat was de opdracht?
  2. Met welk materiaal of in welke techniek is de opdracht uitgevoerd?
  3. Waar moest je bij deze opdracht vooral op letten?
  4. Welke beeldende aspecten zijn het belangrijkste in je werkstuk?
  5. Is het werkstuk uiteindelijk zo geworden zoals je het je van tevoren had voorgesteld?
  6. Als dat niet zo is: hoe komt dat dan?
  7. Op welke stijl of welk werk van een kunstenaar lijkt je werkstuk?
  8. Noem de overeenkomsten van jouw werkstuk met die stijl of kunstenaar.
  9. Noem de verschillen tussen jouw werk en dat van de kunstenaar.
  10. waar is je werkstuk voor bedoeld: voor de sier, om te gebruiken, om een boodschap over te brengen enz.?
  11. Hoe heb je dat doel proberen te bereiken in je werkstuk?
  12. Aan welke eisen die van tevoren gesteld zijn, voldoet je werkstuk?
  13. Aan welke van die eisen voldoet je werkstuk niet?
  14. Wat heb je geleerd van deze opdracht?
  15. Hoe vind je je werkstuk?

•  als je de vragen niet begrijpt of niet genoeg materiaal kunt vinden, kan je docent je vast wel helpen.

Beoordelingscriteria:
•  de vragen zelf zijn ook opgeschreven
•  goede en volledige antwoorden
•  tekst en illustraties zien er netjes uit
•  het verslag is uitvoerig genoeg
•  de omslag ziet er netjes uit


<<< terug